|

Markiezin
met een tik van de molen
Van
1881 tot 1957 leefde een van de meest ongelooflijke figuren
van de 20ste eeuw. Geboren als de dochter van Lucia
Bressi en de katoenverbouwer Alberto Amman genoot Maria Luisa
een vrij luxueuze maar beschermde jeugd in Milaan. Twee
kenmerken die de jonge Maria al van jongs af aan ten toon
spreidde waren haar enorme grote groenbruine ogen en haar
opvallende verlegenheid. Haar ouders stierven toen Maria een
puber was, en zij en haar zuster Francesca waren in éen klap
de rijkste erfgenamen van Italië. Maria Luisa trouwde met de
markies Camillo Casati en ze kregen een dochter, Cristina. Het
huwelijk duurde niet lang. Maria verveelde zich te pletter in
het palazzo van haar echtgenoot die altijd aan het werk
was en ook haar dochter bood haar niet veel vertier.
In
1903 ontmoette ze via wederzijdse vrienden Gabriele d´Annunzio,
de dubieuze decadente dichter die al een ladykillerreputatie
had. De aristocratische romanticus riep een extreme fantasie
op in Maria. Al snel verfde ze haar ogen gitzwart, hulde zich
in donkerpaars organdie en schafte zich een aantal
opzienbarende huisdieren aan, waaronder vier luipaarden, acht
slangen en vijf apen. D´Annunzio en zij vertoonden zich in
1913 op het Carnaval van Venetië met drie luipaarden op een
bal voor de hoogste adel en joegen de menigte verveelde
uitgezakte baronessen en graven uit de balzaal. Ze ontwikkelde
zich tot patron of the arts en ontpopte zich tot een
heuse mecenas. Jonge kunstenaars stonden tevens in de rij om
haar te portretteren, of te beeldhouwen. Troubetzkoy, Boldini,
van Dongen en
Man Ray zijn slechts een paar namen van de mannen die
haar als muze zagen.
Het was een komen en gaan van de fine fleur van
de fin de sičcle “art scene” in het Palazzo dei Leoni in
Venetië en haar buiten in het Palais Rose in het Bois de
Boulogne van Parijs. Geen éen jaar zag ze er hetzelfde uit.
Ze had lak aan de ingedutte adellijke douairičres en
blaaskaken van von Bismarck-achtige walrussen die gapend hun
rijtuig
instapten op weg naar de volgende party. Haar leven was
een kunstwerk, ze had geen tijd om naar een museum te gaan en
er naar een te staren. In 1930 had markiezin Luisa Casati,
zoals ze toen genoemd werd, een schuld van meer dan 30 miljoen
euro. Al haar inboedel werd opgeëist door de respectievelijk
Franse en Italiaanse belastingdienst en op haar laatste
reserves reisde naar ze Londen, waar ze in 1957 betrekkelijk
eenzaam en neerslachtig op 1 juni overleed. “Tijd kan haar
niets doen, noch kan de gewoonte haar oneindige variëteit
aantasten,” staat er op haar graf.
Robbert
|